Textielbegrippen – uitleg & overzicht
Inleiding
Textiel kent een rijke vaktaal met specifieke begrippen die gebruikt worden bij het beschrijven van stoffen, weeftechnieken, afwerkingen en motieven.
Op deze pagina vind je een overzicht van de belangrijkste textielbegrippen, helder uitgelegd en gegroepeerd per thema.
De begrippen zijn onderverdeeld in verschillende hoofdstukken.
Via de overzichtslijsten kan je doorklikken naar de bijhorende uitleg, zodat je snel vindt wat je zoekt.
Overzicht van de hoofdstukken
👉 Klik op een begrip in de lijsten om meteen naar de bijhorende uitleg verder op deze pagina te springen.
Basisbegrippen textiel
soorten bindingen
- Platbinding
- Effenbinding
- Linnenbinding
- Keperbinding
- Twill
- Satijnbinding
- Atlasbinding
- Panama binding
- Basket weave
- Matjesbinding
- Natté
- Ripsbinding
- Kettingrips – breedterips
- Lengterips – inslagrips
- Poolweefsel
- Terugkerende keper
Afwerkinsprocessen
Textielgrondstoffen
natuurlijke stoffen
Dierlijke vezels
Plantaardige vezels
Half-synthetische stoffen
Synthetische stoffen
- Polyester
- Polyamide
- Nylon
- Acryl
- Polyacryl
- Elastaan
- Elastomeer garen
- Neopreen
- dralon
- polyacrylonitril
- pes
- Terylene
- Trevira
- Dracon
Textielmotieven
- Hanenvoet
- Pied-de-poule
- Prince-de-Galles
- Prince of Wales
- Tartan
- Schotse ruit
- Paisley
- Polkadot
- Toile de Jouy
- Vichy
- Boerenruit
Textielbegrippen uitgelegd
Vanaf hier begint het uitgebreide uitlegdeel van deze pagina.
De textielbegrippen zijn gegroepeerd per thema en elk begrip wordt afzonderlijk toegelicht.
Gebruik de overzichtslijsten om snel te navigeren en klik op een begrip om meteen naar de bijhorende uitleg te springen.
weven
De weving bepaalt, samen met de vezelsoort, in grote mate het uitzicht en de eigenschappen van een stof. Ze beïnvloedt onder andere de structuur, soepelheid, sterkte en het visuele karakter van het textiel.
Al sinds oudsher worden natuurlijke vezels op deze manier met elkaar verweven tot stoffen. Door het systematisch kruisen van ketting- en inslagdraden ontstaat een samenhangend doek.
weefgetouw

Op een weefgetouw worden evenwijdige draden, de kettingdraden, strak opgespannen. Tussen deze draden worden haaks daarop de inslagdraden aangebracht.
Door het herhaaldelijk kruisen van ketting- en inslagdraden ontstaat een weefsel. De draden worden meestal stevig tegen elkaar aangedrukt, waardoor een compact en stabiel doek gevormd wordt.
kettingdraden of schering

De kettingdraden, ook wel schering genoemd, lopen over de lengte van het weefsel. Deze draden worden in de lengterichting opgespannen op het weefgetouw en lopen evenwijdig aan elkaar en aan de zelfkant van de stof.
Omdat de kettingdraden onder constante spanning staan tijdens het weven, dragen ze sterk bij aan de stevigheid en vormvastheid van het weefsel.
inslagdraad

De inslagdraden zijn de horizontale draden in de stof. Ze worden op en neer, loodrecht op de kettingdraden, tussen de schering door geweven.
Traditioneel gebeurt dit met een schiet- of werpspoel, die de inslagdraad heen en weer door het weefsel beweegt. De inslagdraden worden dicht tegen elkaar aangedrukt en vormen samen met de kettingdraden het uiteindelijke doek.
Dit zijn ook de draden die men kan uitrafelen van de ene zelfkant naar de andere.
In mijn stoffenaanbod kan je deze basisbegrippen terugzien in uiteenlopende stoffen, waarbij weving en structuur het uitzicht en de toepassing bepalen.
binding

De binding beschrijft de manier waarop ketting- en inslagdraden elkaar kruisen in een weefsel. Dit gebeurt volgens een regelmatig terugkerend patroon.
De gekozen binding is in grote mate bepalend voor:
- het uitzicht van de stof
- de sterkte
- de soepelheid
- het gebruiksdoel van het weefsel
Verschillende bindingssoorten zorgen dus voor duidelijk verschillende stofeigenschappen.
bindpunt
Een bindpunt is het kruispunt waar een inslagdraad een kettingdraad kruist. Op dit punt ligt de inslagdraad boven of onder de kettingdraad.
De opeenvolging en verdeling van deze bindpunten bepalen samen de binding van het weefsel.
Soorten bindingen
platbinding – effenbinding – linnenbinding

De platbinding, ook wel effenbinding of linnenbinding genoemd, is een sterke en stabiele binding. Het is de binding met het grootst mogelijke aantal verbindingen tussen ketting- en inslagdraden.
Bij deze binding liggen de inslagdraden beurtelings boven en onder de kettingdraden. Het weefgetouw weeft als het ware één draad op, één draad neer, waarbij elke volgende inslag het spiegelbeeld vormt van de vorige.
Het resultaat is een regelmatig en evenwichtig weefsel met een vrij kleine draaddichtheid en een hoge vormvastheid.
ripsbinding

De ripsbinding is een speciale vorm van de platbinding. Door het gebruik van meerdere of dikkere draden ontstaat een geribbeld oppervlak. Deze ribbels geven de stof een duidelijk voelbare structuur.
Afhankelijk van de richting waarin de ribbels lopen, wordt onderscheid gemaakt tussen kettingrips en lengterips.
Kettingrips (breedterips)
Bij kettingrips worden meerdere of dikkere inslagdraden gebruikt. Hierdoor ontstaan ribbels die over de volledige breedte van het weefsel lopen, van zelfkant tot zelfkant.
De dikkere draden lopen in de breedterichting van de stof. Dit type ripsbinding wordt ook wel breedterips genoemd en is de meest voorkomende vorm van rips.
Lengterips (inslagrips)
Bij lengterips ontstaan de ribbels door het gebruik van dikkere kettingdraden, of doordat twee of meer naast elkaar gelegen kettingdraden tegelijk met de inslag binden.
De ribbels lopen hierdoor in de lengterichting van de stof. Deze binding wordt ook wel inslagrips of lengterips genoemd.
keperbinding – twill


De keperbinding, ook bekend als twill, wordt gekenmerkt door de typische diagonaal lopende lijnen, de zogenaamde keperlijnen.
Deze binding ontstaat doordat het bindpunt bij elke nieuwe inslag zijwaarts verschuift, één of meerdere draden in dezelfde richting. Hierdoor vormen de bindpunten samen een schuine lijn in het weefsel.
De diagonale lijnen lopen meestal van rechterbenedenhoek naar linkerbovenhoek, maar door variatie in de bindpunten kunnen verschillende keperstructuren ontstaan, elk met een eigen uitstraling en gebruikseigenschappen.
terugkerende keper
Bij een terugkerende keper, ook wel spitskeper genoemd, wordt de richting van de keperlijn regelmatig omgekeerd.
Door deze afwisseling ontstaat een herkenbaar zigzag- of visgraatachtig patroon, waarbij de diagonale lijnen elkaar spiegelen binnen het weefsel.
panama binding – matjesbinding – natté – basket weave

De panamabinding is een variant van de platbinding waarbij meerdere ketting- en inslagdraden parallel met elkaar worden geweven.
Dit resulteert in een vlak, blokachtig patroon met een duidelijk voelbare weefstructuur. De stof oogt rustiger en grover dan een klassieke platbinding.
De panamabinding wordt ook wel matjesbinding, natté of basket weave genoemd.
satijnbinding – atlasbinding


De satijnbinding, ook wel atlasbinding, is een weeftechniek waarbij de bindpunten gelijkmatig verspreid liggen en elkaar niet raken. Hierdoor zijn de garens zeer dicht op elkaar geweven, wat het weefsel soepel en glad maakt.
Door het combineren van glanzende inslagdraden en mattere kettingdraden ontstaat het typische contrast tussen een glanzende en een matte zijde, wat satijn zijn luxueuze uitstraling geeft.
Omdat de bindpunten elkaar niet raken, zijn er geen zichtbare lijnen in het weefsel. De voor- en achterzijde van een satijnbinding verschillen daardoor duidelijk van elkaar. Deze binding wordt ook toegepast bij het weven van jacquard- en damaststoffen.
Voorzijde – achterzijde

poolweefsel

Een poolweefsel is een stof waarbij het grondweefsel uitstekende lusjes of gareneindjes bevat aan het oppervlak. Deze worden gevormd door het gebruik van een poolketting of een poolinslag.
Het oppervlak kan bestaan uit ongesneden lussen of uit gesneden, dicht op elkaar gepakte vezels. Hierdoor voelt het weefsel meestal zacht en volumineus aan.
Poolweefsels hebben vaak een duidelijke richting, bepaald door de stand van de lusjes of draadjes.
Voorbeelden van poolweefsel:
- badstof
- fluweel
- ribfluweel
- fleece
Verschillende van deze bindingen komen voor in mijn stoffenaanbod en zorgen elk voor een eigen uitstraling, stevigheid en gebruiksgemak.
afwerkinsprocessen
Sommige stoffen ondergaan nog een afwerkingsproces, dat hun uiterlijk, structuur en eigenschappen verder verfijnt. Hieronder volgen de belangrijkste technieken.
ausbrenner

Bij een ausbrenner-behandeling wordt een deel van de stof chemisch weggehaald om een decoratief patroon te creëren.
De basisstof bestaat meestal uit twee verschillende grondstoffen. Door chemicaliën in een bepaald patroon aan te brengen, wordt één van de grondstoffen aangetast. Dit resulteert in semi-transparante vlakken, waardoor de stof op die plekken doorzichtig wordt.
Chenille

Chenille-garen heeft een bijzondere structuur, met een kern die men soms de “ziel” van het garen noemt.
Het garen ontstaat door twee draden om elkaar heen te spinnen, waardoor fijne haartjes op hun plek blijven. De binnenste draden zijn zeer scheurvast, waardoor het garen slijtvast is.
Bij chenille wordt een dunne draad omwonden met een dikke, zacht gesponnen draad. Na het twijnen wordt de dikke draad over de lengte doorgesneden, waardoor de karakteristieke haarachtige structuur ontstaat.
kammen

Kammen vindt plaats tijdens het spinproces (ook wel wolkammen genoemd).
Bij het kammen worden onregelmatige en korte vezels verwijderd, zodat een glad en gelijkmatig garen ontstaat, het zogenaamde kamgaren.
Het garen is minder volumineus, zachter, glanzender, slijtvaster en beter wasbaar, en wordt vooral gebruikt bij wol en katoen voor hoogwaardige kledingstoffen.
merceriseren

Merceriseren is een vorm van textielveredeling voor katoenen garens of weefsels.
Tijdens het proces wordt het katoen onder trekspanning behandeld met een geconcentreerde natriumhydroxide-oplossing. Hierdoor zwellen de vezels op, verandert de doorsnede van niervormig naar rond, verdwijnt veel van de twist, en neemt de vezellengte af tot 25%.
Het resultaat: meer glans, hogere sterkte, betere verfopname en maatvastheid.
Gemerceriseerd katoen wordt gebruikt voor onder andere borduurgaren, satinetten, popeline en damast.
twisten – twijnen

Losse vezels van wol, vlas of katoen zijn nog niet geschikt om te weven, breien, naaien of touwen te maken.
- Twisten: vezels worden in elkaar gedraaid tot een enkele draad.
- Twijnen: twee of meer gedraaide draden worden nogmaals om elkaar heen geslagen om een sterkere draad te vormen.
Resultaat: tweedraadsgaren, driedraadsgaren, enzovoort, geschikt voor verdere verwerking.
peach finish

Een Peach finish is een speciale afwerking die stoffen fluweelzacht en zijdezacht maakt, vergelijkbaar met de huid van een perzik. Deze behandeling wordt vooral toegepast op kledingstoffen die direct op de huid gedragen worden, zoals blouses, t-shirts en babykleding, maar ook op zachte interieurstoffen.
Hoe het gebeurt:
- Oppervlak voorbereiden
De stof wordt eerst gestreken of gespannen, zodat het oppervlak gelijkmatig is en klaar voor de behandeling. - Lichte schuur- of borsteling
Met fijne wieltjes, schijven of borstels wordt het textiel voorzichtig geborsteld of geschuurd. Hierdoor ontstaan heel kleine haartjes op de vezels, wat het typische zachte, fluweelachtige gevoel geeft. - Afwerking en fixatie
De vezels worden gestabiliseerd, zodat de zachte pooljes blijven staan en de stof niet pluist. Soms wordt een lichte stoombehandeling toegepast om de vezels extra soepel te maken.
Effect:
- Zijdezacht en fluweelachtig oppervlak
- Verhoogd comfort op de huid
- Subtiele, luxe uitstraling
- Behoud van volume en soepelheid van de stof
tuften

Tuften is een techniek voor het vervaardigen van hoogpolig textiel, zoals fluweel, velours, pluche, hoogpolig tapijt of kunstgras.
- Ontstaan in de jaren 1950 in de Verenigde Staten
- Kan automatisch of handmatig worden uitgevoerd
- Bij handmatig tuften wordt een plukje garen met luchtdruk door een stramien geblazen, waardoor patronen, kleuren en vormen nauwkeurig te bepalen zijn
Toepassingen: vloerkleden, wandtapijten, badkamermatten, vloerbedekking in auto’s, velours en kunstgras. Handtuften is een ambachtelijk en arbeidsintensief proces.
walken – vollen – vervilten

Deze technieken worden toegepast op wollen stoffen om ze compacter, dikker en steviger te maken.
Vervilten: hitte, vocht en druk zorgen ervoor dat de vezels samensmelten tot een stevig, dicht weefsel; de oorspronkelijke weefstructuur is vaak niet meer zichtbaar.
Walken: wollen stof wordt in warm water met een licht zure pH-waarde gekneed en heen-en-weer gedraaid, waardoor de vezels in elkaar haken.
Vollen: het proces waarbij de stof door beweging, druk en warmte een compacte laag vormt.
Ook in mijn stoffenaanbod vind je voorbeelden van deze afwerkingsprocessen, die het gevoel, de uitstraling en het comfort van de stof mee bepalen.
textiel grondstoffen
extielgrondstoffen worden ingedeeld in drie grote groepen: natuurlijke stoffen, half-synthetische stoffen en synthetische stoffen.
natuurlijke stoffen
Natuurlijke stoffen zijn afkomstig van dierlijke of plantaardige bronnen.
Plantaardige stoffen: afkomstig van de vezels van planten, zoals katoen, vlas, hennep en bamboe.
Dierlijke stoffen: meestal afkomstig van de wol van schapen, alpaca’s of andere dieren, en van de zijderups voor zijde.
dierlijke stoffen
wol

Wol bestaat uit zachte, dunne haren van de vacht van dieren, vooral van schapen. Het wordt wereldwijd gebruikt voor kleding, dekens en accessoires. Belangrijke productielanden zijn Australië, China en Nieuw-Zeeland.
Eigenschappen:
- Vezeldikte: 10–40 micrometer. Vezels dunner dan 28 micrometer geven weinig huidirritatie; mensen die gevoelig zijn, kunnen echter zelfs bij fijne wol kriebelen.
- Isolatie: Wol is een uitstekende warmte-isolator door de stilstaande lucht tussen de gekrulde vezels.
- Vochtopname: kan tot 40% vocht opnemen zonder vochtig aan te voelen. Tot 17% vocht verandert de eigenschappen niet.
- Elasticiteit: hoge veerkracht; kreuken verdwijnen snel.
- Rek: kan 30–40% uitgerekt worden zonder breken.
- Zorg: wol is teer; wassen kan het beste beperkt blijven, regelmatig luchten volstaat.
Soorten wol:
- Alpacawol: warm, licht, zacht; holle vezels voor uitstekende isolatie.
- Angorawol: van langharig angorakonijn, zeer zacht.
- Kasjmierwol: luxe, extreem fijn en licht, met veel warmte.
- Lamswol: van eerste scheerbeurt jonge lammetjes, superzacht.
- Merinowol: zeer fijn en zacht, geliefd voor kleding.
- Mohairwol: afkomstig van angorageit, zacht, glanzend, lichtgewicht.
- Shetlandwol: sterk, warm, geschikt voor truien en sokken.
- Zuivere scheerwol: wol van gezonde levende schapen, met keurmerk.
zijde

Zijde is een natuurlijke vezel gesponnen door de zijderups. De draad is fijn, glanzend, sterk en elastisch. Een zijdedraad kan tot 20% uitrekken voordat hij breekt.
Eigenschappen:
- Zeer lange levensduur
- Vochtopname zonder vochtig aan te voelen
- Isothermisch: koel bij warm weer, warm bij koud weer
- Antibacterieel en antistatisch
- Zeer veerkrachtig: kreukels hangen snel uit
Productieproces:
De zijderups leeft van moerbeibladeren en spint een cocon van dunne draden en eigen afscheidingsmateriaal. De vezels worden gesponnen tot zijde.
Gebruik en verzorging:
- Handwas aanbevolen met wolwasmiddel
- Voorzichtig strijken
- Zeer geliefd vanwege glans, souplesse en luxe uitstraling
plantaardige stoffen
bamboo


Bamboe is een snelgroeiend gras dat weinig water nodig heeft. De stengels zijn hol, waardoor het geen echt hout is.
Bamboevezels worden op twee manieren verwerkt:
- Bamboe-lyocell (bamboe-linnen): mechanisch verwerkt; vezels worden vermalen, enzymatisch behandeld, uitgekamd en gesponnen tot draad. Duurzaam en arbeidsintensief.
- Bamboe-viscose (bamboe-rayon): chemisch verwerkt; vezels worden opgelost in chemicaliën (viscoseproces) en gesponnen tot stof. Goedkoper maar chemisch intensief.
jute

Jute is een lange, zachte, glanzende bastvezel die sterk en duurzaam is.
Eigenschappen en toepassingen:
- Sterk, scheur- en slijtvast
- Natuurlijk UV-bestendig
- Goede isolatie
- Veelzijdig: zakken, tassen, vloerkleden, decoratie
- Kan geweven, geverfd, genaaid en gevormd worden
katoen

Katoen is een van de oudste en meest gebruikte stoffen, afkomstig van de katoenplant. De vezels worden gesponnen en geweven tot garens van verschillende dichtheid en structuur.
Eigenschappen:
- Zacht, ademend, comfortabel
- Grote verscheidenheid aan kleuren, patronen en motieven
Weeftechnieken:
- Keperbinding: diagonaal verlopend motief
- Effenbinding: eenvoudige kruisstructuur
- Satijnbinding: zachte glans op de bovenkant
linnen – lijnwaad


Linnen is gemaakt van vlas, een sterk gewas dat goed groeit in koele, vochtige klimaten. Het wordt milieuvriendelijk verkregen met zon, regen en wind, zonder bestrijdingsmiddelen.
Eigenschappen:
- Zeer lage ecologische voetafdruk
- Alle delen van de plant bruikbaar: vezels voor stof, zaden voor olie
- Traditioneel gebruikt voor kleding, tafelkleden, gordijnen, schilderdoeken, boekbanden en vliegtuigbekleding
- Sterk garen geschikt voor kantklossen en ijzergaren
half-synthetische stoffen
Half-synthetische stoffen worden gemaakt uit 100% natuurlijke grondstoffen, maar worden via een chemisch proces omgezet in vezels. In tegenstelling tot volledig natuurlijke stoffen komen er bij de productie geen pesticiden of herbiciden aan te pas, waardoor deze stoffen milieuvriendelijker zijn.
acetaat

Acetaat is een half-synthetische vezel gemaakt van chemisch veranderde cellulose, meestal afkomstig uit hout, bamboe of katoenlinters (bijproduct van katoenproductie).
Eigenschappen:
- Licht, soepel en stevig
- Lijkt op natuurlijke zijde
- Kreukarm en krimpt nauwelijks
- Snel drogend
Productieproces:
- Houtpulp wordt 20 uur behandeld met azijnzuur en andere zuren, waardoor celluloseacetaatvlokken ontstaan.
- De vlokken worden opgelost in aceton en gefilterd tot een vloeibare massa.
- Uit deze oplossing wordt garen gesponnen.
- Het drogen in warme lucht laat de aceton verdampen, die wordt hergebruikt.
Let op: Acetaat stoffen lossen op in aceton, wees voorzichtig met vlekoplossers of nagellakremover.
Toepassing: vaak gebruikt voor voeringstoffen of om stoffen lichter te maken.
crupo

Cupro wordt gemaakt uit plantaardige cellulose van katoenafval en bamboe-pulp, verwerkt met een koper-ammoniakoplossing tot een zachte, zijdeachtige stof.
Eigenschappen:
- Zijdezacht, soepel en glanzend
- Volledig recyclebaar en biologisch afbreekbaar
Milieu: Hoewel het productieproces chemisch is, worden de gebruikte chemicaliën teruggewonnen en hergebruikt, waardoor Cupro als milieuvriendelijk geldt.
Lyocell – tencel

Lyocell wordt geproduceerd uit houtpulp, meestal afkomstig van duurzaam beheerde eucalyptusbossen.
Eigenschappen:
- Sterk, soepel en kreukarm
- Goede sterkte in natte toestand
- Comfortabel en ademend
Productieproces:
- Het oplosmiddel wordt in een gesloten kringloop hergebruikt, waardoor het milieuvriendelijk is in tegenstelling tot traditionele viscose.
Merknaam: Lyocell wordt onder de merknaam Tencel verkocht.
modal

Modal is een half-synthetische vezel afkomstig van cellulose uit beukenhout.
Eigenschappen:
- Soepel, glad en duurzaam
- Slijtvast en vormvast
- Kreukt nauwelijks en makkelijk te strijken
- Goede vochtopname en snel drogend, verkoelend bij warm weer
- Ideaal voor blouses, jurken en zomerkleding
Modal is een duurzaam alternatief voor katoen: makkelijker te verven, beter wasbaar, ademend en licht van gewicht. De stof heeft een mooie matte glans en een luxueuze uitstraling.
viscose – Rayon


Viscose is een zachte, comfortabele half-synthetische stof, gemaakt uit 100% natuurlijke cellulose van houtpulp (beuk, spar, eucalyptus).
Productieproces:
- Cellulose wordt gewonnen uit houtpulp en gemengd met natronloog.
- Zwavelkoolstof wordt toegevoegd, waardoor een taaie massa ontstaat.
- Deze massa wordt door een mal geperst om lange, sterke draden te vormen.
Eigenschappen:
- Zacht en comfortabel
- Luxe uitstraling
- Goede vochtopname; blijft koel en luchtig
- Houdt kleur goed, maar kreukt relatief snel (vandaar dat vaak gemengd wordt met andere vezels)
synthetische stoffen
Synthetische stoffen worden volledig chemisch geproduceerd, meestal uit aardolie, olieafgeleiden of andere kunststoffen. Ze zijn slijtvast, vormvast en onderhoudsarm, en worden vaak gecombineerd met natuurlijke vezels om hun eigenschappen te verbeteren.
acryl – Acrylvezel – polyacryl – polyacrylonitril – dralon

Acryl is een synthetische vezel die veel op wol lijkt.
Eigenschappen:
- Zacht, warm en licht
- Slijtvast en kreukarm
- Vormvast en kleurvast
- Minder ademend dan natuurlijke vezels
- Kan sneller pillen (opwollen)
Toepassing:
- Truien, sjaals, mutsen
- Mixen met wol, katoen of polyester om kriebel te verminderen
Extra: Acrylvezels kunnen tot donzige draden gesponnen worden en bieden een comfortabele, isolerende en lichtgewicht stof.
elastaan – elastomeer garen

Elastaan is een synthetisch rubber dat tot 6x de oorspronkelijke lengte uitrekt en weer terugkeert.
Eigenschappen:
- Zeer rekbaar (600% elasticiteit)
- Sneldrogend en duurzaam
- Behield vorm, zelfs na veel dragen en wassen
- Bestand tegen zonlicht en zout water
Toepassing:
- Sportkleding, zwemkleding
- Steunkousen, elastische boorden in broeken en T-shirts
- Bijmenging in katoen, polyester of viscose voor soepelheid
Merknamen: Dorlastan (Bayer), Lycra (DuPont)
neopreen

Neopreen is een synthetisch rubber, verkregen via polymerisatie van chloropreen.
Eigenschappen en toepassingen:
- VElastisch en isolerend
- Wordt gebruikt in zwempakken, duikpakken en sportkleding
- Verhoogt drijfvermogen en warmte-isolatie
Polyester (PES, Terylene, Dacron, Dralon, Trevira)

Polyester is een kunststofvezel, geproduceerd uit polyethyleentereftalaat (PET) via het smeltspinproces.
Eigenschappen:
- Sterk, vormvast en kreukvrij
- Kleurvast en waterafstotend
- Onderhoudsarm, wasmachinebestendig
- Niet ademend; vaak gemengd met andere stoffen voor comfort
Productie:
- Gesmolten kunststof wordt door spindoppen geperst tot lange vezels
- Vezels kunnen fijn, grof, rond, hoekig of glanzend worden
- Microvezels bieden zachte, soepel vallende stoffen
- Grovere vezels geschikt voor stevige, vormvaste stoffen
Toepassing:
- Kleding, sport- en outdoortextiel
- Mixen met katoen of wol voor verbeterde eigenschappen
polyamide – nylon

Polyamide (ook bekend als Nylon) is een synthetisch polymeer, meestal geproduceerd uit olie, aardgas of steenkool.
Eigenschappen:
- Uitzonderlijk sterk en duurzaam
- Vormvast en onderhoudsarm
- Licht van gewicht en slijtvast
- Kan gemengd worden met natuurlijke vezels voor versterking
Toepassing:
- Kleding, kousen, sporttextiel
- Tule, organza, en samenstellingen met viscose of elastaan
- Reis- en outdoorkleding vanwege onderhoudsgemak
Merknamen: Cordura, Kevlar, Nomex, Nylon, Perlon, Tactel, Technora, Teijinconex, Twaron
In mijn stoffenaanbod zijn stoffen terug te vinden uit natuurlijke, half-synthetische en synthetische grondstoffen, telkens met hun eigen kenmerken en toepassingen.
Textiel motieven
In de textielwereld zijn bepaalde motieven klassiek en basisbegrippen geworden. Ze worden veel gebruikt in kleding, accessoires en interieurtextiel.
paisley motief

Het Paisley-motief stelt een gestileerde blad- of traagvormige vorm voor, met een spits toelopend einde – een soort grote komma.
Herkomst:
- Naam afkomstig van de Schotse stad Paisley, 19e-eeuws textielcentrum
- Oorspronkelijk uit Perzië, via India naar Europa gebracht
- Britse koloniale soldaten namen kasjmieren sjaals met dit motief mee naar Engeland
- In Schotland werden betaalbare replica’s op jacquardgetouwen geproduceerd
Toepassing:
- Sjaals, stropdassen, meubelstoffen
- Heden meestal gedrukt, zelden geweven
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
tartan of schotse ruit

Tartan is een geruite wollen stof met een patroon van afwisselende gekleurde draden in zowel schering als inslag.
Kenmerken:
- Op de kruispunten van dezelfde kleur wordt het patroon helderder
- Kleurenblokken herhalen zich verticaal en horizontaal
- Traditioneel geassocieerd met Schotse clans
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
polkadot

Polkadot is een patroon bestaande uit regelmatig geplaatste bolletjes, meestal van gelijke grootte en gelijkmatig verdeeld.
Kenmerken:
- Bolletjes liggen vaak dicht bij elkaar
- Veel gebruikt in mode en interieurtextiel
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
Pied-de-poule – hanenvoet

Pied-de-poule (ook wel hanenvoet) is een tweekleurig ruitpatroon, genoemd naar de gelijkenis met een haan’s klauwafdruk.
Kenmerken:
- Gebroken ruit met verlengde hoeken in een gekarteld patroon
- Hoeken verbonden door kleine horizontale en verticale verlengstukken
- Meest voorkomende kleuren: zwart-wit, maar ook andere combinaties mogelijk
- Klassiek en tijdloos patroon, veel gebruikt in kleding en accessoires
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
prince-de-galles of Prince of Wales

Prince of Wales is een fijn geweven ruitpatroon met verticale en horizontale strepen van verschillende breedte.
Kenmerken:
- Bestaat uit vier vakken per herhaling
- Eén van de vakken bevat het pied-de-poulepatroon
- Elegant en veel gebruikt voor kostuums en jassen
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
toile de Jouy

Toile de Jouy is een romantisch motief met scènes van personages, bloemen of landschappen.
Kenmerken:
- Meestal één kleur op ecru achtergrond
- Soms omgekeerd: ecru motieven op gekleurde achtergronden
- Luxe uitstraling, vaak gebruikt voor interieurtextiel en decoratieve stoffen
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
Vichy / Boerenruit

Vichy is een bekend ruitjespatroon, ook wel boerenbont, boerenruit of gingham genoemd.
Kenmerken:
- Vierkante ruitjes, meestal twee kleuren
- Eén kleur is bijna altijd wit
- Veel gebruikt in kleding, tafelkleden en keukentextiel
Dit motief wordt toegepast op verschillende stoffen en geeft elk ontwerp een eigen uitstraling.
Een aantal van deze klassieke textielmotieven komt ook voor in mijn stoffenaanbod, zowel in kledingstoffen als in stoffen voor interieurtoepassingen.
Gebruik & tips
Deze textielbegrippen helpen je om stoffen beter te begrijpen en bewuster te kiezen, of je nu werkt aan kleding, interieur, hergebruik of creatieve projecten. Kennis van vezels, bindingen en afwerkingen maakt het makkelijker om de juiste stof voor het juiste doel te selecteren